skip to Main Content

Een bezoek van marskramer Job: (H)eerlijke vis!

Een bezoek van marskramer Job

Als marskramer Job bezoek ik ouderen met dementie in verzorgings- en verpleeghuizen. Met een koffer, rugkorf of stofjas vol met prachtige herinneringen aan vroeger stap ik letterlijk in de belevingswereld van ouderen met dementie. Mijn bezoek is vooral afgestemd op de persoonlijke behoeftes van de ouderen. In het contact maak ik gebruik van alle zintuigen. Juist door geen plan of doel te stellen ontstaan vaak de mooiste contactmomenten. Een bijzonder contact waarin je de mens achter de dementie beter leert kennen en begrijpen. Ieder mens heeft een verhaal met zijn eigen geschiedenis en levenservaringen. Graag wil ik jullie meenemen in deze bijzondere ontmoetingen in de wondere wereld van ouderen met dementie. De naam van de bewoner is in het beschreven verhaal aangepast in verband met de privacy.

(H)eerlijke vis!

Wanneer ik mij als marskramer Job heb omgekleed en de hal in loop, zie ik mevrouw Bouw aan een tafel zitten. Ze kijkt uit op de gesloten deuren die beplakt zijn met een oud tafereel van een winkelstraat uit het dorp. Ik loop naar haar toe en zeg haar vriendelijk gedag: “Ik zie dat u aan het wachten bent.” “Ja, mijn man Henk komt zo” laat mevrouw Bouw weten. “Gaat u dan met hem mee of blijft u hier met Henk?” “Ik ga dan met Henk mee”, geeft mevrouw Bouw vastberaden aan. ”Dan gaan we op de markt vis halen.” Ze geeft aan dat ze gek is op poon. Ik noem verschillende soorten vis die ik zelf ook wel graag lust zoals sliptong en stoofpaling. Mevrouw Bouw weet het telkens weer iets lekkerder te maken. Een lekkerbek met veel kruiden en palingmootjes die net iets langer zijn dan normaal. “Mijn man lustte niet alle vis,” vertelt ze, “Het is ook maar net hoe je het klaarmaakt.” Mevrouw Bouw is haar gevoel voor het bereiden van een lekkere vismaaltijd nog niet verleerd. “De gamba’s maakte ik vaak klaar met wat ketjap en sambal.” Terwijl mevrouw Bouw de bereidingswijze met mij deelt, loopt bijna het water in haar mond. “Ik moest het ook weer niet te lekker maken voor mijn man”, zegt ze lachend.

Als snel blijkt ‘vis’ het codewoord te zijn. Het is een terugkerend onderwerp tijdens ons gesprek. “Wij gaan dan altijd naar Spakenburg” vertelt mevrouw Bouw.  “Ze staan dan op de markt met een hele grote kraam. Spakenburg is een leuk plaatsje, maar de mensen daar zijn vreselijk.” Zo vertelt ze dat de mensen daar alles weten van iedereen. Als je daar bij wijze van spreken een scheet laat, staat het de volgende dag al in de krant. “Voor de kwaliteit betaal ik liever iets meer”, laat mevrouw Bouw weten. “De vis wordt duur betaald”, vul ik aan. “Precies”, reageert mevrouw Bouw instemmend. “Hier in het dorp hadden wij ook een visboer, maar die stonk zo. Daar moest ik geen vis van hebben. ”Soms werd er snoekbaars verkocht die helemaal geen snoekbaars was. Dat verschil konden we wel zien. Daar zeiden we dan wel wat van, want ja als er niemand iets van zegt…” “Eerlijkheid duurt het langst”, vul ik aan.  Ik vraag aan mevrouw Bouw of ze iedere week vis at. “Wij aten altijd op vrijdag vis”, zegt ze: “Voor katholieken was het altijd vrijdag visdag.”

Even later komt er door de ‘gecamoufleerde’ deur een moeder met haar dochtertje de hal in. Mevrouw Bouw glimlacht en haar ogen beginnen te stralen. “Ik heb ook zo’n kleindochter”, vertelt ze. “Als ze nog zo klein zijn, zijn ze echt om op te eten.”

Mevrouw Bouw houdt tijdens ons gesprek de ‘gecamoufleerde’ deur nauwlettend in de gaten. Een bezoeker lijkt even de code vergeten te zijn en vraagt zich af of zij de juiste code heeft ingetoetst. Ik help haar even. Zonder twijfel betrof het een bezoeker en geen bewoner. Mevrouw Bouw lijkt daardoor in de gaten te hebben gekregen dat de deur niet zomaar opengaat. “Dat doen ze omdat ze dan niet zo gemakkelijk binnen kunnen komen”, laat mevrouw Bouw weten. “Gelukkig kunnen ze niet aan mij horen dat ik uit Putten kom”, vertelt ze even later: “Ze hoeven niet aan mij te horen waar ik vandaan kom.” In Spakenburg ging mevrouw Bouw ook weleens naar de Bourgondische lelie, een antiekzaak in het centrum van het dorp. “Toen aan mij gevraagd werd waar ik vandaan kwam zei ik steevast ’ut Putten’.”

Ook het plaatselijke dialect komt ter sprake. Mevrouw Bouw vertelt met een glimlach “Mijn zoon Gerrit had een vriendje dat Theo heette. Hij kwam van de boerderij. Onze Gerrit zei op een dag ‘Mam, bij Theo thuis praten ze Duits.’ ‘Duits?’ ‘Ja’, zei onze Gerrit, ‘Zijn moeder vroeg of ik kiep op mijn brood wilde.’ Kiep is in het Putters kip. Buiten het dorp praten ze nog platter, dan in Putten zelf. Je kunt ze dan bijna niet verstaan.” Mevrouw Bouw vertelt dat zij ook een boekje heeft waar allemaal dialectwoorden in staan. Woorden die afwijken van het Nederlands en soms net even iets anders klinken.

Mevrouw Bouw zit inmiddels ruim een half uur op haar man te wachten. “Soms zit ik hier wel een uur”, zegt ze. “Wachten duurt altijd lang”, geeft ik aan. “Dat valt wel mee” zegt mevrouw Bouw nuchter: “Ik zit nu met jou te praten en dan heb je daar geen erg in.” Even later laat ik mevrouw Bouw weten, dat ik nog wat mensen op de huiskamer ga bezoeken. “O, dan ga ik met je mee. Hij komt toch niet meer.” Mevrouw Bouw staat op vanuit haar stoel met de nodige ondersteuning van haar rollator. “Hij is vast vis halen. Hij eet zo drie haringen achter elkaar.” We lopen samen door de gang, richting de huiskamer. Ook onderweg blijft de (h)eerlijke vis onderwerp van het gesprek.

Bron foto: Adobe Stock-afbeeldingen

 

 

 

Back To Top